regenereren van vriesverse maaltijden

Het 2de deel van de opwarmcyclus van een vriesverse maaltijd is ruwweg een opwarmcyclus voor een koelverse maaltijd.  Alle aspecten voor het regenereren van koelverse maaltijden gelden dus ook voor vriesverse maaltijden.
Additionele aspecten zijn:

De juiste eindtemperatuur = de juiste hoeveelheid energie toevoeren

Enige wetenschappelijke achtergrond:
Bij het regenereren van een vriesverse maaltijd zijn 2 fenomenen belangrijk:

  1. Het verhogen van de temperatuur.  Om een voorwerp (bijvoorbeeld een maaltijd) op te warmen, moet energie toegevoegd worden.  Hoeveel energie:  dat wordt bepaald door de warmtecapaciteit van dat materiaal, door de massa en door de gewenste temperatuursverhoging.  Deze energie moet toegevoerd worden om de maaltijd eerst tot 0 °C te brengen en na het smelten om ze verder te verwarmen tot de eindtemperatuur.
  2. Het smelten.  Om een voorwerp (bijvoorbeeld een maaltijd) te laten smelten, moet energie toegevoegd worden.  Hoeveel energie:  dat wordt bepaald door de latente smeltwarmte van dat materiaal en door zijn massa.  Noot: deze energie is nodig om het voorwerp van bevrozen tot vloeibaar te brengen, waarbij de temperatuur onveranderd op het smeltpunt blijft.


Bij het regenereren van een vriesverse maaltijd met een bepaalde massa weten we dus hoeveel energie zal nodig zijn om de juiste eindtemperatuur te bereiken, met name (voor bijvoorbeeld een maaltijd van 400 g)

  • 159 kJ om de maaltijd op te warmen van starttemperatuur tot 0 °C en van 0°C tot de eindtemperatuur en
  • 134 kJ om de maaltijd te ontvriezen.

Er is dus quasi evenveel energie nodig om de maaltijd te ontvriezen als om ze op te warmen.  Daarom is dus meer dan dubbel zo veel energie nodig om een vriesverse maaltijd te regenereren (291 kJ) als om een koelverse maaltijd te regenereren (117 kJ).

Noot: Er is dus ook meer dan de helft van de totale energie nodig om de maaltijd op te warmen tot 0 °C en te ontvriezen.  Dit verklaart waarom een vriesverse maaltijd nog deels bevrozen is na 30 minuten regenereren. (veronderstel 60 minuten regenereertijd)  Bovendien:  Nadat de maaltijd ontvrozen is, blijft nog minder dan 30 minuten om de maaltijd van koelvers tot de juiste eindtemperatuur te regenereren.  Dit is natuurlijk een behoorlijke uitdaging, vergeleken met het regenereren van een koelverse maaltijd.

Dus als de massa gekend is, zal bij juiste instelling van tijd en vermogen, de eindtemperatuur ALTIJD juist zijn, onafhankelijk van maaltijdtype of verdeling op het bord.


Grotere gevoeligheid van het proces

Invloed van de massa:
Een verandering van de massa t.o.v. die waarop vermogen en tijd zijn ingesteld, heeft een uitvergrote invloed op de eindtemperatuur.  Namelijk: Voor het verwarmen van een zwaardere maaltijd is evenredig meer energie nodig. Maar omdat ook meer latente smeltwarmte (om te ontvriezen) nodig is, zal nog minder energie beschikbaar zijn voor de verwarming van de maaltijd.  
10% meer massa betekent dus +/- 20% minder temperatuurstijging, ruwweg ook een 20 °C lagere eindtemperatuur.  
Noot: Omgekeerd zal 10% meer of minder energie toevoeren ook leiden tot 20 °C temperatuursverschil in het eindresultaat.  
Omdat een magnetron niet gelijkmatig verwarmt, is het dus quasi onmogelijk om een vriesverse maaltijd in een magnetron tot een egale eindtemperatuur te krijgen.

Invloed van de begintemperatuur:
Als een maaltijd 10 °C warmer is bij aanvang, zal ze ook 10 °C warmer zijn na regenereren.  
Dat geldt evengoed bij koelverse maaltijden, maar daar valt een 10 °C hogere begintemperatuur goed op.  Bij vriesverse maaltijden zal een begintemperatuur van -10 °C  i.p.v. -20 °C niet opvallen.  
Voor een stabiel regenereerproces is het dus belangrijk de maaltijden altijd pas uit de vriezer te nemen vlak voor het regenereren.